
Jurisprudentie
AR7396
Datum uitspraak2004-11-19
Datum gepubliceerd2004-12-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4419 WTS
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4419 WTS
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verlegging peiljaar. Terugval in inkomen melkveehouder na een peiljaar met een piekinkomen tengevolge van grondtransacties door de IB-Groep terecht gerekend tot de ‘normale inkomensschommelingen’.
Uitspraak
03/4419 WTS
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft appellante het verzoek van gedaagde afgewezen om de berekening van zijn toetsingsinkomen in de zin van artikel 2.24 van de Wet tegemoet-koming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) te baseren op diens inkomen in een recenter jaar dan het peiljaar 2000 en aan hem ten behoeven van twee kinderen voor het schooljaar 2002-2003 tegemoetkomingen in de zin van hoofdstuk 3 van die wet toe te kennen. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 7 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard.
De rechtbank Assen heeft bij uitspraak van 24 juli 2003, nr. 03/239 WSFBSF, het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en appellante opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, een en ander met aanvullende beslissingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Tegen voornoemde uitspraak is door appellante hoger beroep ingesteld op bij aanvullend beroepschrift van 19 september 2003 aangevoerde gronden.
In reactie op dit hoger beroep is door S. Tamsma, werkzaam bij administratiekantoor Hoeksema te Grootegast, namens gedaagde een verweerschrift ingediend.
Vervolgens heeft appellante haar standpunt bij brief van 27 september 2004 nog nader onderbouwd en toegelicht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 oktober 2004. Aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door mr. Th. Holtrop, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep. Gedaagde is niet ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
Uit de voorhanden zijnde gegevens leidt de Raad af dat gedaagde een ondernemer is die een melkveehouderij exploiteert. In het boekjaar 1998/1999 verkocht (en leverde) gedaagde zijn (tot het bedrijfsvermogen behorend) aandeel in de eigendom van een perceel grond van 0.62.00 ha. In verband daarmee is een vervangingsreserve gevormd, die in het jaar 2000 is vrijgevallen toen een perceel landbouwgrond van 9.43.20 ha werd aangekocht (en in eigendom werd verkregen). De belastingdienst heeft hierop het belastbare inkomen van gedaagde in het jaar 2000 vastgesteld op ? 130.282,-, en aldus alsnog ? 144.150,- van de bij eerdergenoemde verkoop geboekte winst belast bij gedaagde. In verband daarmee heeft appellante de aanvraag van gedaagde van tegemoet-komingen voor het schooljaar 2002-2003 afgewezen. Verder heeft appellante afwijzend beslist op het verzoek van gedaagde om zijn inkomen in een recenter jaar dan het peiljaar 2000 in aanmerking te nemen voor de bepaling van zijn aanspraken over genoemd schooljaar. Tegen dit besluit heeft gedaagde bezwaar doen maken, welk bezwaar appellante bij het bestreden besluit heeft verworpen op de aan artikel 2.28, tweede lid, aanhef en onder a, van de WTOS ontleende grond dat de inkomensdaling na het peiljaar 2000 gerekend kan worden tot de normale risico’s bij de manier waarop gedaagde zijn inkomen verwerft.
De rechtbank Assen heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard. Daartoe is door de rechtbank overwogen dat - kort weergegeven - de terugval in het inkomen van gedaagde na het peiljaar, gelet op de eenmaligheid van de gebeurtenis die aan deze inkomensschommeling ten grondslag ligt en de aard van de bedrijfsuitoefe-ning door gedaagde, niet kan worden gerekend tot ‘inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwer-ving’, als bedoeld in artikel 2.28, tweede lid, aanhef, en onder a, van de WTOS.
Appellante heeft hiertegen in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat de betrokken vervreemding van tot het ondernemingsvermogen behorende grond wel degelijk past binnen de normale bedrijfsvoering van gedaagde. Daarbij is erop gewezen dat er in het onderhavige geval geen sprake is van bedrijfsbeëindiging maar, per saldo, juist van schaalvergroting. Verder is door appellante het standpunt ingenomen dat indien een inkomensschommeling optreedt tengevolge van een gebeurtenis die bij een normale bedrijfsvoering in de regel niet of niet vaak plaatsvindt, dit niet zonder meer betekent dat er geen sprake is van een inkomensschommeling die in het algemeen normaal kan worden geacht.
De Raad overweegt als volgt.
Uit constante jurisprudentie, die door de Raad onder meer is bevestigd bij uitspraak van 14 juni 2004, nrs. 03/2712 WSF, 03/5040 WTS, 03/5041 WTS, 03/5042 WTS, 03/5726 WSF en 03/5812 WTS (LJN-nummer AP8068, USF 2003-2004, nr. 52), vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschommelingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen:
? de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en
? de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.
Hieruit volgt dat de door appellante ingenomen stelling juist is dat indien een inkomens-schommeling optreedt tengevolge van een gebeurtenis die bij een normale bedrijfsvoe-ring in de regel niet of niet vaak plaatsvindt, dit niet zonder meer impliceert dat er geen sprake is van een inkomensschommeling die in het algemeen normaal kan worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Immers, de aard van een gebeurtenis wordt niet alleen bepaald door de frequentie waarmee zij zich pleegt voor te doen; tevens dient te worden gezien naar de andere in het concrete geval te onderscheiden relevante kenmerkende feiten en omstandigheden.
De Raad overweegt in dit verband dat de verkoop van grond door gedaagde niet samenhangt met een gehele of gedeeltelijke bedrijfsbeëindiging. Verder stelt de Raad vast dat grondtransacties niet vreemd zijn aan het wezen van de branche waarin gedaagde als ondernemer werkzaam is, zodat de (lucratieve) verkoop van tot bedrijfsvermogen behorende grond door gedaagde, bezien in samenhang met de latere aankoop van vervangende en extra landbouwgrond, niet kan worden aangemerkt als een gebeurtenis met een strikt eenmalig karakter.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat bij het beeld van de situatie zoals dat naar voren komt uit de voorhanden zijnde gegevens de terugval in het inkomen van gedaagde na het peiljaar kan worden gerekend tot de inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de door hem gekozen wijze van inkomensverwerving.
Hierin ligt besloten dat het hoger beroep van appellante doelt treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het inleidend beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidende beroep van gedaagde alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
MH

